Lesbrief Ecologie
Biologie 3 havo · thema 4 · Het Voorbeeldcollege · versie september 2026

Paragraaf 1. Wat is ecologie?
Ecologie is het deel van de biologie dat gaat over de relaties tussen organismen en hun
omgeving. Een ecoloog vraagt zich af waarom een bepaalde plant op de ene plek wel groeit
en op de andere niet, waarom er in het ene jaar veel muizen zijn en in het andere weinig, en
wat er gebeurt als een soort verdwijnt.
Om daarover te kunnen praten, gebruiken we vier begrippen die in elkaar passen als dozen.
Een individu is één organisme: één eend op de schoolvijver. Een populatie is een groep
individuen van dezelfde soort die op dezelfde plek en in dezelfde tijd leven en zich onderling
kunnen voortplanten: alle wilde eenden op en rond de schoolvijver. Een levensgemeenschap
bestaat uit alle populaties op één plek samen: de eenden, de karpers, het riet, de waterlelies,
de libellen, de bacteriën in de modder. Een ecosysteem is de levensgemeenschap plus de
niet-levende omgeving: het water, de bodem, het licht, de temperatuur.
Die niet-levende omgeving noemen we de abiotische factoren. Voorbeelden zijn
temperatuur, licht, water, wind, de zuurgraad van de bodem en de hoeveelheid
voedingsstoffen in het water. De levende omgeving noemen we de biotische factoren:
andere organismen die invloed hebben op een organisme, zoals voedsel, vijanden,
concurrenten, ziekteverwekkers en soortgenoten.
Een voorbeeld. Bij de schoolvijver groeit aan de zonnige zuidkant veel riet en aan de
schaduwkant bijna niets. Licht is hier de abiotische factor die het verschil maakt. In het riet
broeden meerkoeten; de rietstengels bieden beschutting tegen de reiger. Het riet is voor de
meerkoet een biotische factor, en de reiger ook.

Paragraaf 2. Voedselketens en voedselwebben
Elk organisme heeft energie nodig. Planten halen die energie uit zonlicht: met fotosynthese
maken ze van water en koolstofdioxide glucose en zuurstof. Omdat planten hun eigen
voedsel maken, noemen we ze producenten. Dieren kunnen dat niet; zij eten planten of
andere dieren en heten daarom consumenten. Een dier dat planten eet is een consument
van de eerste orde, een dier dat planteneters eet een consument van de tweede orde,
enzovoort. Schimmels en bacteriën die dode resten afbreken heten reducenten. Zij zorgen
dat voedingsstoffen terugkomen in de bodem en het water.
Een voedselketen laat zien wie wie eet, in een rij met pijlen. De pijl wijst in de richting waarin
de energie gaat. Bij de schoolvijver: waterplant → watervlo → stekelbaars → reiger. De
waterplant is de producent, de watervlo een consument van de eerste orde, de stekelbaars
van de tweede orde en de reiger van de derde orde. Elke stap in de keten noemen we een
schakel of trofisch niveau.

In het echt eet bijna niemand maar één ding. De reiger eet ook kikkers, de stekelbaars eet
ook muggenlarven, en de watervlo wordt ook door libellenlarven gegeten. Als je alle
voedselketens van een levensgemeenschap door elkaar tekent, krijg je een voedselweb. Een
voedselweb laat zien hoe soorten van elkaar afhankelijk zijn. Verdwijnen de watervlooien,
dan hebben stekelbaars én libellenlarve een probleem, en daarna de reiger.
Waarom zijn voedselketens zelden langer dan vier of vijf schakels? Omdat bij elke schakel het
grootste deel van de energie verloren gaat. Een dier gebruikt de meeste energie uit zijn
voedsel om te bewegen, warm te blijven en te ademen; maar een klein deel, ongeveer een
tiende, wordt lichaamsmassa die een volgende schakel kan eten. Na vier schakels is er zo
weinig energie over dat een vijfde schakel nauwelijks kan bestaan. Daarom zijn er veel meer
planten dan planteneters, en veel meer planteneters dan roofdieren. Dat tekenen we als een
piramide van biomassa.

Paragraaf 3. Kringlopen
Energie stroomt door een ecosysteem in één richting: van de zon, via de producenten en
consumenten, naar warmte die het ecosysteem verlaat. Stoffen doen dat niet. Stoffen gaan
rond in kringlopen. De bekendste is de koolstofkringloop.
Koolstof zit in de lucht als koolstofdioxide (CO₂). Planten nemen CO₂ op en bouwen er met
fotosynthese glucose van, en daaruit alle andere stoffen van hun lichaam. Dieren eten
planten en krijgen zo de koolstof binnen. Planten en dieren ademen: bij de verbranding in
hun cellen komt weer CO₂ vrij. Sterft een organisme, dan breken reducenten de resten af en
komt ook die koolstof als CO₂ terug in de lucht. De kringloop is rond.
De mens heeft aan deze kringloop een extra weg toegevoegd. Steenkool, aardolie en
aardgas zijn resten van organismen van miljoenen jaren geleden; de koolstof daarin zat lang
vast in de bodem. Door die brandstoffen te verbranden brengen we in korte tijd veel koolstof
in de lucht die er lang niet was. Daardoor stijgt de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer, en dat
versterkt het broeikaseffect.
Ook stikstof gaat rond in een kringloop. Planten hebben stikstof nodig voor eiwitten en halen
die als nitraat uit de bodem. Bacteriën in de bodem maken nitraat uit dode resten en uit
stikstofgas in de lucht. Mest en kunstmest brengen extra stikstof in de bodem. Voor een boer
is dat handig, maar spoelt het nitraat uit naar een sloot of een vijver, dan gaan daar algen
woekeren. Dat heet eutrofiëring, en het is een van de redenen dat de schoolvijver in de
zomer soms groen kleurt.

Paragraaf 4. Populaties en evenwicht
Hoeveel eenden passen er op de schoolvijver? Niet oneindig veel. Er is een grens aan het
voedsel, aan de broedplekken en aan de ruimte. Het maximale aantal individuen van een
soort dat een gebied blijvend kan onderhouden, noemen we de draagkracht van dat gebied
voor die soort. Komt een populatie boven de draagkracht, dan is er niet genoeg voor

iedereen: dieren verhongeren, krijgen minder jongen of trekken weg, en de populatie krimpt
weer.
Factoren die een populatie beperken zijn onder meer voedsel, water, ruimte, vijanden,
ziekten en het weer. Sommige factoren werken sterker naarmate de populatie groter is: bij
veel dieren op een kleine plek verspreidt een ziekte zich sneller en vinden roofdieren
makkelijker een prooi. Andere factoren, zoals een strenge winter, treffen een grote en een
kleine populatie even hard.
Populaties beïnvloeden elkaar. Concurrentie ontstaat als twee soorten hetzelfde nodig
hebben, bijvoorbeeld hetzelfde voedsel of dezelfde nestplek. Predatie is de relatie tussen
roofdier en prooi. Zijn er veel prooidieren, dan krijgen de roofdieren veel jongen; daardoor
daalt het aantal prooidieren, waarna ook het aantal roofdieren weer daalt. Zo schommelen
de twee populaties om elkaar heen. In het practicum van week 4 tel je watervlooien in twee
bakken, met en zonder stekelbaars, en zie je dit zelf.
Een ecosysteem waarin de populaties op de lange duur ongeveer gelijk blijven, noemen we
in evenwicht. Dat evenwicht is niet stil: het schommelt, en het kan verschuiven als een factor
blijvend verandert.

Paragraaf 5. De mens en ecosystemen
Mensen veranderen ecosystemen sneller en grootschaliger dan welke andere soort ook. We
kappen bos voor landbouw, leggen wegen aan door leefgebieden, brengen mest en
bestrijdingsmiddelen in bodem en water, en verplaatsen soorten naar plekken waar ze niet
thuishoren. Elk van die ingrepen verandert de abiotische factoren of de biotische factoren
van een gebied, en daarmee de levensgemeenschap.
Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten in een gebied. Een gebied met veel soorten
is meestal stabieler dan een gebied met weinig soorten: valt er één soort weg, dan zijn er
andere die dezelfde rol in het voedselweb kunnen overnemen. In een maisveld leven weinig
soorten; verdwijnt daar de mais door een ziekte, dan is er niets over. In het Voorbeeldbos
leven honderden soorten; verdwijnt daar de es door de essentaksterfte, dan blijft het bos
bestaan, al verandert het.
Het Voorbeeldbos is een goed voorbeeld van de keuzes waar mensen voor staan. De
gemeente wil een fietspad door het bos aanleggen, zodat leerlingen veiliger naar school
kunnen. Natuurliefhebbers zijn bang dat het pad het bos in tweeën deelt en dat reeën en
dassen de weg niet meer oversteken. De boeren naast het bos willen dat het bos kleiner
wordt, omdat de dassen hun mais eten. In week 5 voeren we hierover een debat. Je krijgt een
rol en verdedigt die met argumenten uit dit thema: draagkracht, voedselweb, biodiversiteit,
abiotische en biotische factoren.
Natuurbeheer is het bewust ingrijpen in een ecosysteem om het te behouden of te
herstellen: maaien op het juiste moment, water vasthouden, een wildtunnel onder een weg,
een soort terugbrengen die verdwenen was. Ook niets doen kan natuurbeheer zijn. Welke
keuze goed is, hangt af van wat je wilt bereiken, en daarover verschillen mensen van mening.

Ecologie geeft geen antwoord op de vraag wat je moet willen, maar wel op de vraag wat er
gebeurt als je iets doet.

Opdrachten
1. Geef van de schoolvijver één voorbeeld van een individu, een populatie, een
levensgemeenschap en een ecosysteem.
2. Noem drie abiotische en drie biotische factoren die invloed hebben op het riet aan de
schoolvijver.
3. Teken de voedselketen uit paragraaf 2 en zet bij elke schakel of het een producent of
een consument is, en van welke orde.
4. Teken een voedselweb van de schoolvijver met minstens zes soorten uit deze lesbrief.
5. Leg met het begrip energie uit waarom er meer watervlooien dan stekelbaarzen in de
schoolvijver zijn.
6. Beschrijf in vier stappen hoe een koolstofatoom van de lucht via een waterplant en een
eend weer in de lucht terechtkomt.
7. Leg uit waarom de schoolvijver in de zomer soms groen kleurt en wat dat te maken
heeft met de boerderij naast de school.
8. Wat is de draagkracht van een gebied? Noem twee factoren die de draagkracht van de
schoolvijver voor eenden bepalen.
9. Teken een grafiek van het aantal watervlooien en het aantal stekelbaarzen in de tijd, en
leg uit waarom de lijnen zo lopen.
10. Leg uit waarom een bos met veel soorten beter tegen een boomziekte kan dan een bos
met één soort.
11. Kies een partij uit het debat over het Voorbeeldbos en geef twee argumenten met
begrippen uit dit thema.
12. Bedenk een maatregel van natuurbeheer voor de schoolvijver en leg uit welk effect je
verwacht op het voedselweb.

Begrippenlijst
Begrip

Betekenis

Abiotische factor

Invloed uit de niet-levende omgeving, zoals licht, temperatuur, water

Biotische factor

Invloed van andere organismen, zoals voedsel, vijanden, concurrenten

Biodiversiteit

De verscheidenheid aan soorten in een gebied

Consument

Organisme dat andere organismen eet

Draagkracht

Het maximale aantal individuen van een soort dat een gebied blijvend
kan onderhouden

Ecosysteem

Levensgemeenschap plus de niet-levende omgeving

Eutrofiëring

Overmaat aan voedingsstoffen in water, waardoor algen woekeren

Fotosynthese

Proces waarbij planten met licht uit water en CO₂ glucose en zuurstof
maken

Begrip

Betekenis

Levensgemeenschap

Alle populaties op één plek samen

Populatie

Groep individuen van dezelfde soort op dezelfde plek en tijd

Predatie

Relatie tussen roofdier en prooi

Producent

Organisme dat zijn eigen voedsel maakt, meestal een plant

Reducent

Organisme dat dode resten afbreekt, zoals schimmels en bacteriën

Voedselketen

Rij organismen die elkaar eten, met pijlen in de richting van de energie

Voedselweb

Alle voedselketens van een levensgemeenschap door elkaar

