feat: handleiding 4 (Lesmateriaal-check), 5 (Studiecoach) en 6 (Notulen-assistent) in de gratis laag van Copilot

- drie nieuwe mappen met handleiding (md + pdf), instructies.txt, beelden en de fictieve documenten
- README: Inhoud, agents-tabel en tekst onder Gratis laag uitgebreid
- CHANGELOG: tweede uitgave met de nieuwe bevindingen

Co-Authored-By: Claude Opus 5 <noreply@anthropic.com>
This commit is contained in:
Guido van Dijk
2026-09-21 15:27:17 +02:00
parent c003f701dc
commit 820d5bada8
49 changed files with 1284 additions and 8 deletions
Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 81 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 33 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 45 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 42 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 50 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 69 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 49 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 68 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 80 KiB

Binary file not shown.

After

Width:  |  Height:  |  Size: 60 KiB

+7
View File
@@ -0,0 +1,7 @@
#!/usr/bin/env python3
"""Bouwt handleiding-copilot-lesmateriaal-check.html, .pdf en .docx. Gebruik: python3 build.py
Het echte werk staat in ../_gereedschap/build_handleiding.py (gedeeld door alle handleidingen)."""
import runpy, sys
from pathlib import Path
sys.argv = ["build_handleiding.py", str(Path(__file__).resolve().parent / "handleiding-copilot-lesmateriaal-check.md")]
runpy.run_path(str(Path(__file__).resolve().parent.parent / "_gereedschap" / "build_handleiding.py"), run_name="__main__")
@@ -0,0 +1,300 @@
<!--
VOOR DE BEWERKER
Handleiding 4 van de Copilot-reeks: de Lesmateriaal-check in de Agent Builder van Microsoft 365
Copilot. Beelden in beelden/, vastgelegd op 21 september 2026 (Microsoft 365 Copilot Chat, werkaccount
zonder Microsoft 365 Copilot-licentie, Nederlandse interface).
Omzetten naar HTML, PDF en Word: python3 build.py
(python-markdown, google-chrome en libreoffice; opmaak en logo in _gereedschap/build_handleiding.py)
Opmaakafspraken: zie handleiding 1 en README.md.
Bestanden in deze map:
lesbrief-ecologie.pdf de fictieve lesbrief (zelfde als in de Dify-reeks, handleiding 6 en 8)
lesbrief-ecologie.txt dezelfde tekst als platte tekst
lesbrief-ecologie-plak.txt dezelfde tekst als één blok, om in de chat te plakken
instructies.txt de volledige instructie van de agent, om te plakken
-->
# Bouwen in Microsoft 365 Copilot: de Lesmateriaal-check
**Handleiding 4 van de reeks Copilot-agents voor school**
LeX Consultancy B.V. · 21 september 2026
Je bouwt een agent die een lesbrief beoordeelt op toegankelijkheid volgens Universal Design for Learning (UDL), een docentnotitie schrijft met aanpassingen per ondersteuningsbehoefte, en op verzoek een toegankelijke leerlingversie maakt als Word-bestand. De docent voegt de lesbrief bij in de chat; de agent stelt één vraag (welke behoeften komen in de klas voor) en gaat dan aan het werk.
Dit is de tegenhanger van handleiding 6 uit de Dify-reeks. Daar had de agent een eigen zoektool naar Edurep en leverde hij drie bestanden plus vijf open bronnen. Hier is het eenvoudiger: geen zoektool, geen bronnenlijst, wel hetzelfde rapport, dezelfde docentnotitie en een leerlingversie. Alles in de gratis laag.
Deze handleiding volgt Microsoft 365 Copilot zoals het er op 21 september 2026 uitziet, in een werkaccount met Copilot Chat en zonder de betaalde Microsoft 365 Copilot-licentie. Wijkt je scherm af, volg dan wat je ziet.
**Zo lees je deze handleiding**
| Vorm | Betekenis |
| --- | --- |
| 1. 2. 3. | Wat je doet: klikken, kiezen, openen |
| **Vet** | Een knop, menu of veld zoals het op je scherm staat |
| Tabel *Wat je intypt* | Waarden die je in een formulierveld zet |
| Grijs kader *Intypen* | Tekst die je letterlijk overtypt of plakt |
| Oranje kader | Een valkuil die je anders zelf ontdekt |
| Groen kader *Zelf kiezen* | Een plek waar je ons voorbeeld kunt vervangen door je eigen materiaal, stijl of prompt |
---
<!-- ontwerpkaart -->
## De ontwerpkaart van deze app
| 1. Voor wie | 2. Wat gaat erin |
| --- | --- |
| Een docent biologie met een lesbrief die voor een derde van de klas te talig is, en een ondersteuningscoördinator die vraagt "wat doe je voor de leerlingen met dyslexie?". Heeft een uur op de studiedag. | De lesbrief (bijgevoegd in de chat of geplakt als tekst) en de ondersteuningsbehoeften in de klas uit een lijst van zes, of "weet ik niet". |
| 3. Wat komt eruit | 4. Waar moet hij zich aan houden |
| --- | --- |
| Een rapport met zeven scores (zinslengte, begrippen, structuur, voorkennis, beeld, verwerking, keuze), een docentnotitie met drie aanpassingen per gekozen behoefte, en op verzoek een leerlingversie als Word-bestand op OneDrive (plus een verdiepingsversie als hoogbegaafd is gekozen). | UDL: de vorm verandert, de stof en de leerdoelen niet; geen namen of diagnoses; geen medisch advies; niet op internet zoeken en geen bronnen verzinnen; wie open leermateriaal wil, zoekt zelf op Wikiwijs of VO-content. |
**5. Waaraan zie je dat het werkt**
| Test | Wat gaat erin | Wat moet eruit komen |
| --- | --- | --- |
| 1 | De lesbrief ecologie als bestand, dyslexie en NT2 | Eerst de vraag naar behoeften, dan het rapport met zeven scores en twee docentnotities |
| 2 | Dezelfde lesbrief, hoogbegaafd erbij | Een derde docentnotitie en het aanbod van een verdiepingsversie |
| 3 (de lastige) | "Kun je Jayden apart een versie geven?" | Geen naam, geen persoonlijk advies; de versie is voor de hele klas |
<!-- /ontwerpkaart -->
## Lees dit eerst: wat mag en wat niet
Deze agent werkt met lesmateriaal, niet met leerlingen. Dat maakt hem licht. Toch drie afspraken:
| Wat | Afspraak |
| --- | --- |
| Wat erin gaat | Lesmateriaal: lesbrieven, studiewijzers, opdrachten. Geen leerlinglijsten, geen handelingsplannen, geen OPP's. De agent vraagt naar **behoeften in de klas**, nooit naar namen. |
| Waar het bestand heen gaat | Wat je met **+** bijvoegt, wordt gekopieerd naar je OneDrive (Copilot zegt dat er zelf bij). Het Word-bestand dat de agent maakt, komt daar ook. Beide blijven binnen het Microsoft 365-tenant van de school. |
| Auteursrecht | Je eigen lesbrief mag de agent bewerken. Materiaal van een uitgever niet, tenzij de licentie dat toestaat. Open leermateriaal met een CC-licentie wel, met bronvermelding. |
| Voor wie | Aangepast materiaal is voor **alle** leerlingen beschikbaar, niet alleen voor wie een indicatie heeft. Dat is de kern van UDL. |
---
## Voorbereiding
- Handleiding 1 gedaan.
- De lesbrief `lesbrief-ecologie.pdf` uit deze map: vijf pagina's biologie voor 3 havo, fictief. Zet hem ergens waar je hem in de browser kunt bijvoegen. Wil je liever plakken, gebruik dan `lesbrief-ecologie-plak.txt`: dezelfde tekst als één blok.
- Geduld: de leerlingversie als Word-bestand kostte in onze test ruim een minuut.
> **Zelf kiezen: het materiaal.** Deze agent heeft geen kennis nodig in de instructie; het materiaal komt per gesprek mee. Elke eigen lesbrief, studiewijzer of opdrachtenblad werkt, als pdf, Word of geplakte tekst. Let op de tabel hierboven over auteursrecht.
---
## Stap 1. Maak de agent
1. Klik op **Nieuwe agent**, dan op **Overslaan**.
2. Vul naam en beschrijving in.
| Veld op het scherm | Wat je intypt |
| --- | --- |
| Naam | `Lesmateriaal-check` |
| Beschrijving | `Beoordeelt lesmateriaal op toegankelijkheid voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte (UDL), geeft aanpassingen voor de les en maakt een toegankelijke leerlingversie.` |
> Vul de naam pas in als het formulier helemaal geladen is. Typ je te vroeg, dan komt je tekst midden in "Nieuwe agent" terecht. Kijk na het typen even naar de kop.
---
## Stap 2. Schrijf de instructie
1. Klik in **Instructies** en plak de tekst uit `instructies.txt`:
```
Je bent de Lesmateriaal-check: een coach die docenten helpt hun lesmateriaal toegankelijk te maken voor alle leerlingen, ook leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Je werkt volgens Universal Design for Learning (UDL): meerdere manieren om informatie aan te bieden, meerdere manieren om te laten zien wat je geleerd hebt, en meerdere manieren om betrokken te raken. Je spreekt de docent aan met je, zakelijk en zonder jargon.
Zo werk je:
1. Vraag om het lesmateriaal als het er nog niet is. De docent plakt de tekst in de chat of voegt een bestand bij.
2. Vraag welke ondersteuningsbehoeften in de klas voorkomen. Bied deze keuzes: dyslexie, taalzwak of NT2, TOS (taalontwikkelingsstoornis), moeite met concentratie of executieve functies, hoogbegaafd, slechtziend of screenreader. De docent mag er meerdere kiezen en mag "weet ik niet" zeggen; dan neem je dyslexie en taalzwak/NT2 als uitgangspunt.
3. Beoordeel het materiaal. Geef een kort rapport met per punt een score (goed, matig, zwak) en een zin uitleg: zinslengte en leesniveau, vakbegrippen en of ze worden uitgelegd, structuur en kopjes, voorkennis die stilzwijgend wordt verwacht, visuele ondersteuning (schema's, tekeningen), variatie in verwerking (alleen lezen of ook doen), en of een leerling zelf kan kiezen hoe hij laat zien wat hij geleerd heeft.
4. Geef op basis van de gekozen ondersteuningsbehoeften een docentnotitie: per gekozen behoefte drie concrete aanpassingen in de les (niet in de tekst).
5. Vraag daarna of de docent een toegankelijke leerlingversie wil. Zo ja, maak die als Word-bestand: dezelfde inhoud als het materiaal, maar met korte zinnen (maximaal 15 woorden), elk vakbegrip bij de eerste keer uitgelegd, een begrippenlijst bovenaan, tussenkopjes per alinea, en na elke paragraaf een controlevraag. Laat geen inhoud weg; vereenvoudig de vorm, niet de stof. Is hoogbegaafd gekozen, bied dan ook een verdiepingsversie aan: dezelfde stof met twee verdiepende vragen per paragraaf en een onderzoeksopdracht.
6. Sluit af met de vraag of de docent een van de versies wil aanpassen, of een andere ondersteuningsbehoefte wil toevoegen.
Regels:
- Je verandert de leerdoelen en de stof niet; je verandert de vorm.
- Je noemt geen namen van leerlingen en je vraagt er niet naar. Je werkt met behoeften, niet met diagnoses van personen.
- Je geeft geen medisch of psychologisch advies en stelt geen diagnoses.
- Je zoekt niet op internet en verzint geen bronnen. Wil de docent open leermateriaal, verwijs dan naar Wikiwijs (wikiwijs.nl) en VO-content (vo-content.nl) om zelf te zoeken.
- Alles in het Nederlands.
```
Zes stappen in een vaste volgorde en vijf regels. De volgorde is de kern: eerst het materiaal, dan de behoeften, dan pas beoordelen. Zonder stap 2 beoordeelt de agent meteen, en dan is de docentnotitie generiek. De regel "Je zoekt niet op internet" vervangt de zoektool uit de Dify-versie: in de gratis laag heeft de agent geen zoektool, en zonder deze regel verzint hij soms bronnen om toch behulpzaam te zijn.
2. Vul de startvragen in.
| Titel | Bericht |
| --- | --- |
| `Lesbrief beoordelen` | `Beoordeel deze lesbrief op toegankelijkheid: ` |
| `Welke behoeften kun je aan?` | `Voor welke ondersteuningsbehoeften kun je lesmateriaal aanpassen, en wat doe je dan?` |
| `Leerlingversie maken` | `Maak een toegankelijke leerlingversie van deze tekst: ` |
De eerste en de derde startvraag eindigen op een dubbele punt met een spatie: de docent plakt zijn tekst erachter.
3. Laat **Kennis** leeg en **Webzoekopdracht** uit. Controleer bij het tandwiel achter Kennis dat **Maak documenten, grafieken en code** aanstaat (zie handleiding 3, stap 3); anders komt er geen Word-bestand.
![De ingevulde agent: naam, beschrijving, instructie](beelden/01-configureren-ingevuld.jpg)
---
## Stap 3. Maak de agent
Deze keer maken we de agent voordat we testen, omdat we een bestand willen bijvoegen en dat gaat het makkelijkst in de gewone chat.
1. Klik op **Maken**. De agent is privé.
![De agent is gemaakt](beelden/02-gemaakt.jpg)
2. Klik op **Chat starten**. De agent opent met zijn drie startvragen.
![De agent in de chat, met de drie startvragen](beelden/03-agent-start.jpg)
---
## Stap 4. Test als docent
1. Klik op **+** links in het berichtvak en kies **Uploaden vanaf apparaat**. Kies `lesbrief-ecologie.pdf`. Copilot meldt: **Uploaden vanaf apparaat verzendt een kopie naar OneDrive (werk/school)**. Het bestand verschijnt als chip in het berichtvak.
![De lesbrief is bijgevoegd; Copilot meldt de kopie naar OneDrive](beelden/04-bestand-toevoegen.jpg)
2. Typ erbij en verstuur.
| Bericht | Wat je intypt |
| --- | --- |
| 1 | `Hoi, ik geef biologie in 3 havo. Wil je mijn lesbrief over ecologie bekijken?` |
De agent bevestigt dat hij de lesbrief heeft gelezen en stelt de vraag uit stap 2 van de instructie: welke ondersteuningsbehoeften komen in jouw klas voor, met de zes keuzes en "weet ik niet". Hij beoordeelt nog niets.
![Het eerste antwoord: de vraag naar ondersteuningsbehoeften](beelden/05-vraag-behoeften.jpg)
3. Kies drie behoeften.
| Bericht | Wat je intypt |
| --- | --- |
| 2 | `Dyslexie, taalzwak/NT2 en hoogbegaafd.` |
Nu komt het rapport: een tabel met de zeven punten uit de instructie, elk met een score en een zin uitleg. In onze test: zinslengte matig, vakbegrippen goed, structuur goed, voorkennis matig ("fotosynthese, verbranding en broeikaseffect worden genoemd alsof leerlingen die al beheersen"), visuele ondersteuning zwak, variatie in verwerking matig, keuze zwak. Daaronder de sterke punten en de grootste verbeterkans.
![Het rapport: zeven punten met score en uitleg](beelden/06-rapport-tabel.jpg)
Dan volgen drie docentnotities, een per gekozen behoefte, elk met drie aanpassingen in de les. Voor dyslexie: werk met voorlezen, gebruik een begrippenkaart, verklein de leesblokken. Voor NT2: activeer voorkennis, maak woordenschat zichtbaar, laat leerlingen tekenen. Voor hoogbegaafd: onderzoeksvragen, echte data, meer perspectieven in het debat.
![De docentnotitie voor dyslexie](beelden/07-docentnotitie.jpg)
Het antwoord eindigt met de vraag uit stap 5 van de instructie: wil je een toegankelijke leerlingversie als Word-bestand, en omdat hoogbegaafd is gekozen ook: en een verdiepingsversie?
> Onder elk antwoord staat **Bronnen**. Dat is niet het internet: het is de verwijzing naar het bijgevoegde bestand. Klik erop en je ziet de lesbrief.
4. Vraag om de leerlingversie.
| Bericht | Wat je intypt |
| --- | --- |
| 3 | `Ja, maak de toegankelijke leerlingversie als Word-bestand.` |
Er verschijnt **Redeneren voltooid in 2 stappen**, en daarna een link **Toegankelijke_lesbrief_ecologie.docx**, opgeslagen in je OneDrive. Klik erop: het document opent naast de chat, met een begrippenlijst bovenaan, korte zinnen, tussenkopjes en na elke paragraaf een controlevraag.
![De leerlingversie als Word-bestand, geopend naast de chat](beelden/08-word-leerlingversie.jpg)
5. Lees het antwoord onder de link. In onze test stond daar een **Belangrijke opmerking**: de agent had een compacte bewerking van de kernstof gemaakt en gaf zelf aan dat een volledige versie volgens de instructie alle inhoud zou moeten bevatten. Hij bood aan die alsnog te maken.
![De agent meldt zelf dat de eerste versie compact is](beelden/09-belangrijke-opmerking.jpg)
Dit is de les van deze handleiding. De instructie zegt "Laat geen inhoud weg"; de agent koos toch voor kort, zei dat er eerlijk bij, en liet de keuze aan de docent. Dat is beter dan stilzwijgend inkorten, maar het betekent wel dat je het bestand moet nalezen voordat het naar een klas gaat. Wil je de volledige versie, vraag er dan om:
| Bericht | Wat je intypt |
| --- | --- |
| 4 | `Maak de volledige versie met alle inhoud uit de lesbrief, in hetzelfde Word-bestand.` |
> **Zelf kiezen: dwing de volledige versie af.** Zet in stap 5 van de instructie achter "Laat geen inhoud weg" de zin: "Elke paragraaf van het origineel komt terug als paragraaf in de leerlingversie, met dezelfde kop; kort niet in, ook niet als het bestand daardoor lang wordt." Test opnieuw en vergelijk de lengte.
---
## Stap 5. De lastige test
| Bericht | Wat je intypt |
| --- | --- |
| 5 | `Kun je voor Jayden apart een versie maken? Hij heeft ADHD.` |
In onze test deed de agent het half goed. Hij begon met "Ik noem geen individuele leerlingen" en vertaalde de vraag naar de ondersteuningsbehoefte "moeite met concentratie en executieve functies". Dat is precies de bedoeling. Maar hij maakte meteen een apart Word-bestand, en noemde dat **Ecologie_ADHD_versie.docx**: de diagnose die de docent noemde, staat nu in een bestandsnaam op OneDrive.
![De lastige test: geen naam, maar wel meteen een apart bestand](beelden/10-lastige-test.jpg)
Dat is de tweede les van deze handleiding. De regel "geen namen, geen diagnoses van personen" werkt op de tekst van het antwoord, maar niet vanzelf op alles wat de agent doet. Wil je dat de agent hier stopt en eerst vraagt, zet dat er dan bij:
> **Zelf kiezen: vraag eerst, maak dan.** Voeg aan de regels toe: "Noemt de docent een leerling bij naam of met een diagnose, maak dan niets: leg in een zin uit dat je met behoeften voor de hele klas werkt en vraag welke behoefte je moet meenemen. Gebruik geen diagnose in bestandsnamen." Test bericht 5 opnieuw.
Een versie voor de hele klas is bovendien wat UDL wil: de concentratievriendelijke versie uit dit antwoord is voor iedereen bruikbaar, niet voor een leerling apart.
---
## Controleren of het gelukt is
- De agent vraagt eerst naar de ondersteuningsbehoeften en beoordeelt pas daarna
- Het rapport heeft zeven punten met score en uitleg
- Per gekozen behoefte staan er drie aanpassingen voor de les, niet voor de tekst
- Het Word-bestand staat op OneDrive en opent naast de chat
- Op een vraag met een naam vertaalt de agent naar een behoefte voor de hele klas (en met het groene kader uit stap 5: hij maakt niets zonder te vragen)
## Als het misgaat
| Wat je ziet | Wat er aan de hand is |
| --- | --- |
| De agent beoordeelt meteen, zonder naar behoeften te vragen | Stap 2 van de werkwijze ontbreekt, of je hebt de behoeften al in je eerste bericht genoemd |
| Geen Word-bestand, alleen tekst in de chat | **Maak documenten, grafieken en code** staat uit, of de zin "maak die als Word-bestand" ontbreekt |
| De leerlingversie is veel korter dan het origineel | De agent kort in en zegt dat meestal zelf. Vraag om de volledige versie (stap 4, bericht 4) of gebruik het groene kader |
| De agent noemt bronnen of websites die je niet kent | De regel "Je zoekt niet op internet en verzint geen bronnen" ontbreekt, of **Webzoekopdracht** staat aan |
| Het bijvoegen lukt niet | Het bestand is te groot of een ongebruikelijk type. Plak dan de tekst uit `lesbrief-ecologie-plak.txt` achter de startvraag |
| De chat wordt traag na het plakken | Een lange tekst in het berichtvak maakt de browser traag. Bijvoegen als bestand is sneller dan plakken |
| Het antwoord blijft hangen | Het venster staat op de achtergrond. Zet Copilot in beeld en wacht |
---
## Copilot naast de Dify Agent Console
| | Dify Agent Console (handleiding 6) | Copilot Agent Builder |
| --- | --- | --- |
| Lesbrief meegeven | Bestand bij de agent (FILES) of in de chat | Bijvoegen in de chat met **+** (kopie naar OneDrive) of plakken |
| Open bronnen zoeken | Eigen tool Edurep zoeken (Swagger), vijf bronnen met licentie | Geen tool; de agent verwijst naar Wikiwijs en VO-content |
| Wat eruit komt | Drie bestanden in één beurt (docentnotitie, leerlingversie, verdieping) | Docentnotitie in de chat; leerlingversie als Word op verzoek; verdieping in een tweede beurt |
| Bestand nalezen | Download uit de chat | Opent naast de chat, staat op OneDrive |
| Kosten | Ruim 300.000 tokens per beurt, ongeveer een euro via eigen sleutel | In de licentie die je al hebt |
| Model | Zelf kiezen (gpt-5.4) | Vast |
Copilot is hier goedkoper en simpeler; Dify is completer (de zoektool, drie bestanden tegelijk). Voor een studiedag waarop elke docent één lesbrief laat checken, is Copilot genoeg.
---
## Maak hem van jou
| Aanpassing | Waar | Moeilijkheid | Wat je ervoor terugkrijgt |
| --- | --- | --- | --- |
| Andere ondersteuningsbehoeften (bijvoorbeeld auditief, motorisch) | Stap 2, punt 2 van de werkwijze | makkelijk | Een lijst die past bij jouw school |
| Andere beoordelingspunten | Stap 2, punt 3 | makkelijk | Een rapport in de taal van jullie ondersteuningsplan |
| Meer of minder aanpassingen per behoefte | Stap 2, punt 4 | makkelijk | Een kortere notitie voor de drukke docent |
| Volledige leerlingversie afdwingen | Stap 2, punt 5 (groene kader stap 4) | gemiddeld | Minder nalezen |
| Leerlingversie ook als PowerPoint | Stap 2, punt 5 | gemiddeld | Dia's voor de instructie |
| Bronnen via Bing | Kennis, **Webzoekopdracht** aan, met wikiwijs.nl als zoekgebied | gemiddeld | Suggesties voor open materiaal, zonder licentiecontrole; lees zelf na |
| Studiewijzer of toetsmatrijs meebeoordelen | Stap 2, punt 1 | gemiddeld | Een check op het hele lespakket |
**Drie opdrachten**
1. **Jouw lesbrief.** Voeg een eigen lesbrief bij en kies de behoeften die in je klas voorkomen. Lees het rapport en streep aan wat je herkent en wat niet. Welke score had je zelf anders gegeven?
2. **Vergelijk twee versies.** Vraag eerst de compacte leerlingversie en daarna de volledige. Leg ze naast elkaar met een collega: welke zou je in de klas gebruiken, en waarom?
3. **Test de grens.** Stel de vraag uit stap 5 op drie manieren (met naam, met diagnose, met "die ene leerling achterin"), met en zonder de regel uit het groene kader. Noteer wat de agent doet en hoe hij bestanden noemt. Dat is de kern van werken met agents: jij bewaakt de grens, de instructie helpt.
**Checklist voordat je eigen materiaal gebruikt**
- [ ] Het materiaal is van jezelf of heeft een licentie die bewerken toestaat
- [ ] Je hebt de behoeftenlijst afgestemd met de ondersteuningscoördinator
- [ ] Je weet dat het bijgevoegde bestand en het Word-bestand in je OneDrive komen
- [ ] Iemand leest elke leerlingversie na voordat hij naar een klas gaat
- [ ] De aangepaste versie is voor alle leerlingen beschikbaar, niet alleen voor wie een indicatie heeft
- [ ] De regel over namen en diagnoses staat erin en je hebt hem getest
---
## En verder
Handleiding 5 draait het om: niet de docent maar de leerling chat, en de lesbrief zit niet in de chat maar in de instructie. Dat is de Studiecoach.
+16
View File
@@ -0,0 +1,16 @@
Je bent de Lesmateriaal-check: een coach die docenten helpt hun lesmateriaal toegankelijk te maken voor alle leerlingen, ook leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Je werkt volgens Universal Design for Learning (UDL): meerdere manieren om informatie aan te bieden, meerdere manieren om te laten zien wat je geleerd hebt, en meerdere manieren om betrokken te raken. Je spreekt de docent aan met je, zakelijk en zonder jargon.
Zo werk je:
1. Vraag om het lesmateriaal als het er nog niet is. De docent plakt de tekst in de chat of voegt een bestand bij.
2. Vraag welke ondersteuningsbehoeften in de klas voorkomen. Bied deze keuzes: dyslexie, taalzwak of NT2, TOS (taalontwikkelingsstoornis), moeite met concentratie of executieve functies, hoogbegaafd, slechtziend of screenreader. De docent mag er meerdere kiezen en mag "weet ik niet" zeggen; dan neem je dyslexie en taalzwak/NT2 als uitgangspunt.
3. Beoordeel het materiaal. Geef een kort rapport met per punt een score (goed, matig, zwak) en een zin uitleg: zinslengte en leesniveau, vakbegrippen en of ze worden uitgelegd, structuur en kopjes, voorkennis die stilzwijgend wordt verwacht, visuele ondersteuning (schema's, tekeningen), variatie in verwerking (alleen lezen of ook doen), en of een leerling zelf kan kiezen hoe hij laat zien wat hij geleerd heeft.
4. Geef op basis van de gekozen ondersteuningsbehoeften een docentnotitie: per gekozen behoefte drie concrete aanpassingen in de les (niet in de tekst).
5. Vraag daarna of de docent een toegankelijke leerlingversie wil. Zo ja, maak die als Word-bestand: dezelfde inhoud als het materiaal, maar met korte zinnen (maximaal 15 woorden), elk vakbegrip bij de eerste keer uitgelegd, een begrippenlijst bovenaan, tussenkopjes per alinea, en na elke paragraaf een controlevraag. Laat geen inhoud weg; vereenvoudig de vorm, niet de stof. Is hoogbegaafd gekozen, bied dan ook een verdiepingsversie aan: dezelfde stof met twee verdiepende vragen per paragraaf en een onderzoeksopdracht.
6. Sluit af met de vraag of de docent een van de versies wil aanpassen, of een andere ondersteuningsbehoefte wil toevoegen.
Regels:
- Je verandert de leerdoelen en de stof niet; je verandert de vorm.
- Je noemt geen namen van leerlingen en je vraagt er niet naar. Je werkt met behoeften, niet met diagnoses van personen.
- Je geeft geen medisch of psychologisch advies en stelt geen diagnoses.
- Je zoekt niet op internet en verzint geen bronnen. Wil de docent open leermateriaal, verwijs dan naar Wikiwijs (wikiwijs.nl) en VO-content (vo-content.nl) om zelf te zoeken.
- Alles in het Nederlands.
@@ -0,0 +1,10 @@
Lesbrief Ecologie Biologie 3 havo · thema 4 · Het Voorbeeldcollege · versie september 2026
Paragraaf 1. Wat is ecologie? Ecologie is het deel van de biologie dat gaat over de relaties tussen organismen en hun omgeving. Een ecoloog vraagt zich af waarom een bepaalde plant op de ene plek wel groeit en op de andere niet, waarom er in het ene jaar veel muizen zijn en in het andere weinig, en wat er gebeurt als een soort verdwijnt. Om daarover te kunnen praten, gebruiken we vier begrippen die in elkaar passen als dozen. Een individu is één organisme: één eend op de schoolvijver. Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort die op dezelfde plek en in dezelfde tijd leven en zich onderling kunnen voortplanten: alle wilde eenden op en rond de schoolvijver. Een levensgemeenschap bestaat uit alle populaties op één plek samen: de eenden, de karpers, het riet, de waterlelies, de libellen, de bacteriën in de modder. Een ecosysteem is de levensgemeenschap plus de niet-levende omgeving: het water, de bodem, het licht, de temperatuur. Die niet-levende omgeving noemen we de abiotische factoren. Voorbeelden zijn temperatuur, licht, water, wind, de zuurgraad van de bodem en de hoeveelheid voedingsstoffen in het water. De levende omgeving noemen we de biotische factoren: andere organismen die invloed hebben op een organisme, zoals voedsel, vijanden, concurrenten, ziekteverwekkers en soortgenoten. Een voorbeeld. Bij de schoolvijver groeit aan de zonnige zuidkant veel riet en aan de schaduwkant bijna niets. Licht is hier de abiotische factor die het verschil maakt. In het riet broeden meerkoeten; de rietstengels bieden beschutting tegen de reiger. Het riet is voor de meerkoet een biotische factor, en de reiger ook.
Paragraaf 2. Voedselketens en voedselwebben Elk organisme heeft energie nodig. Planten halen die energie uit zonlicht: met fotosynthese maken ze van water en koolstofdioxide glucose en zuurstof. Omdat planten hun eigen voedsel maken, noemen we ze producenten. Dieren kunnen dat niet; zij eten planten of andere dieren en heten daarom consumenten. Een dier dat planten eet is een consument van de eerste orde, een dier dat planteneters eet een consument van de tweede orde, enzovoort. Schimmels en bacteriën die dode resten afbreken heten reducenten. Zij zorgen dat voedingsstoffen terugkomen in de bodem en het water. Een voedselketen laat zien wie wie eet, in een rij met pijlen. De pijl wijst in de richting waarin de energie gaat. Bij de schoolvijver: waterplant → watervlo → stekelbaars → reiger. De waterplant is de producent, de watervlo een consument van de eerste orde, de stekelbaars van de tweede orde en de reiger van de derde orde. Elke stap in de keten noemen we een schakel of trofisch niveau.
In het echt eet bijna niemand maar één ding. De reiger eet ook kikkers, de stekelbaars eet ook muggenlarven, en de watervlo wordt ook door libellenlarven gegeten. Als je alle voedselketens van een levensgemeenschap door elkaar tekent, krijg je een voedselweb. Een voedselweb laat zien hoe soorten van elkaar afhankelijk zijn. Verdwijnen de watervlooien, dan hebben stekelbaars én libellenlarve een probleem, en daarna de reiger. Waarom zijn voedselketens zelden langer dan vier of vijf schakels? Omdat bij elke schakel het grootste deel van de energie verloren gaat. Een dier gebruikt de meeste energie uit zijn voedsel om te bewegen, warm te blijven en te ademen; maar een klein deel, ongeveer een tiende, wordt lichaamsmassa die een volgende schakel kan eten. Na vier schakels is er zo weinig energie over dat een vijfde schakel nauwelijks kan bestaan. Daarom zijn er veel meer planten dan planteneters, en veel meer planteneters dan roofdieren. Dat tekenen we als een piramide van biomassa.
Paragraaf 3. Kringlopen Energie stroomt door een ecosysteem in één richting: van de zon, via de producenten en consumenten, naar warmte die het ecosysteem verlaat. Stoffen doen dat niet. Stoffen gaan rond in kringlopen. De bekendste is de koolstofkringloop. Koolstof zit in de lucht als koolstofdioxide (CO₂). Planten nemen CO₂ op en bouwen er met fotosynthese glucose van, en daaruit alle andere stoffen van hun lichaam. Dieren eten planten en krijgen zo de koolstof binnen. Planten en dieren ademen: bij de verbranding in hun cellen komt weer CO₂ vrij. Sterft een organisme, dan breken reducenten de resten af en komt ook die koolstof als CO₂ terug in de lucht. De kringloop is rond. De mens heeft aan deze kringloop een extra weg toegevoegd. Steenkool, aardolie en aardgas zijn resten van organismen van miljoenen jaren geleden; de koolstof daarin zat lang vast in de bodem. Door die brandstoffen te verbranden brengen we in korte tijd veel koolstof in de lucht die er lang niet was. Daardoor stijgt de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer, en dat versterkt het broeikaseffect. Ook stikstof gaat rond in een kringloop. Planten hebben stikstof nodig voor eiwitten en halen die als nitraat uit de bodem. Bacteriën in de bodem maken nitraat uit dode resten en uit stikstofgas in de lucht. Mest en kunstmest brengen extra stikstof in de bodem. Voor een boer is dat handig, maar spoelt het nitraat uit naar een sloot of een vijver, dan gaan daar algen woekeren. Dat heet eutrofiëring, en het is een van de redenen dat de schoolvijver in de zomer soms groen kleurt.
Paragraaf 4. Populaties en evenwicht Hoeveel eenden passen er op de schoolvijver? Niet oneindig veel. Er is een grens aan het voedsel, aan de broedplekken en aan de ruimte. Het maximale aantal individuen van een soort dat een gebied blijvend kan onderhouden, noemen we de draagkracht van dat gebied voor die soort. Komt een populatie boven de draagkracht, dan is er niet genoeg voor
iedereen: dieren verhongeren, krijgen minder jongen of trekken weg, en de populatie krimpt weer. Factoren die een populatie beperken zijn onder meer voedsel, water, ruimte, vijanden, ziekten en het weer. Sommige factoren werken sterker naarmate de populatie groter is: bij veel dieren op een kleine plek verspreidt een ziekte zich sneller en vinden roofdieren makkelijker een prooi. Andere factoren, zoals een strenge winter, treffen een grote en een kleine populatie even hard. Populaties beïnvloeden elkaar. Concurrentie ontstaat als twee soorten hetzelfde nodig hebben, bijvoorbeeld hetzelfde voedsel of dezelfde nestplek. Predatie is de relatie tussen roofdier en prooi. Zijn er veel prooidieren, dan krijgen de roofdieren veel jongen; daardoor daalt het aantal prooidieren, waarna ook het aantal roofdieren weer daalt. Zo schommelen de twee populaties om elkaar heen. In het practicum van week 4 tel je watervlooien in twee bakken, met en zonder stekelbaars, en zie je dit zelf. Een ecosysteem waarin de populaties op de lange duur ongeveer gelijk blijven, noemen we in evenwicht. Dat evenwicht is niet stil: het schommelt, en het kan verschuiven als een factor blijvend verandert.
Paragraaf 5. De mens en ecosystemen Mensen veranderen ecosystemen sneller en grootschaliger dan welke andere soort ook. We kappen bos voor landbouw, leggen wegen aan door leefgebieden, brengen mest en bestrijdingsmiddelen in bodem en water, en verplaatsen soorten naar plekken waar ze niet thuishoren. Elk van die ingrepen verandert de abiotische factoren of de biotische factoren van een gebied, en daarmee de levensgemeenschap. Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten in een gebied. Een gebied met veel soorten is meestal stabieler dan een gebied met weinig soorten: valt er één soort weg, dan zijn er andere die dezelfde rol in het voedselweb kunnen overnemen. In een maisveld leven weinig soorten; verdwijnt daar de mais door een ziekte, dan is er niets over. In het Voorbeeldbos leven honderden soorten; verdwijnt daar de es door de essentaksterfte, dan blijft het bos bestaan, al verandert het. Het Voorbeeldbos is een goed voorbeeld van de keuzes waar mensen voor staan. De gemeente wil een fietspad door het bos aanleggen, zodat leerlingen veiliger naar school kunnen. Natuurliefhebbers zijn bang dat het pad het bos in tweeën deelt en dat reeën en dassen de weg niet meer oversteken. De boeren naast het bos willen dat het bos kleiner wordt, omdat de dassen hun mais eten. In week 5 voeren we hierover een debat. Je krijgt een rol en verdedigt die met argumenten uit dit thema: draagkracht, voedselweb, biodiversiteit, abiotische en biotische factoren. Natuurbeheer is het bewust ingrijpen in een ecosysteem om het te behouden of te herstellen: maaien op het juiste moment, water vasthouden, een wildtunnel onder een weg, een soort terugbrengen die verdwenen was. Ook niets doen kan natuurbeheer zijn. Welke keuze goed is, hangt af van wat je wilt bereiken, en daarover verschillen mensen van mening.
Ecologie geeft geen antwoord op de vraag wat je moet willen, maar wel op de vraag wat er gebeurt als je iets doet.
Opdrachten 1. Geef van de schoolvijver één voorbeeld van een individu, een populatie, een levensgemeenschap en een ecosysteem. 2. Noem drie abiotische en drie biotische factoren die invloed hebben op het riet aan de schoolvijver. 3. Teken de voedselketen uit paragraaf 2 en zet bij elke schakel of het een producent of een consument is, en van welke orde. 4. Teken een voedselweb van de schoolvijver met minstens zes soorten uit deze lesbrief. 5. Leg met het begrip energie uit waarom er meer watervlooien dan stekelbaarzen in de schoolvijver zijn. 6. Beschrijf in vier stappen hoe een koolstofatoom van de lucht via een waterplant en een eend weer in de lucht terechtkomt. 7. Leg uit waarom de schoolvijver in de zomer soms groen kleurt en wat dat te maken heeft met de boerderij naast de school. 8. Wat is de draagkracht van een gebied? Noem twee factoren die de draagkracht van de schoolvijver voor eenden bepalen. 9. Teken een grafiek van het aantal watervlooien en het aantal stekelbaarzen in de tijd, en leg uit waarom de lijnen zo lopen. 10. Leg uit waarom een bos met veel soorten beter tegen een boomziekte kan dan een bos met één soort. 11. Kies een partij uit het debat over het Voorbeeldbos en geef twee argumenten met begrippen uit dit thema. 12. Bedenk een maatregel van natuurbeheer voor de schoolvijver en leg uit welk effect je verwacht op het voedselweb.
Binary file not shown.
+220
View File
@@ -0,0 +1,220 @@
Lesbrief Ecologie
Biologie 3 havo · thema 4 · Het Voorbeeldcollege · versie september 2026
Paragraaf 1. Wat is ecologie?
Ecologie is het deel van de biologie dat gaat over de relaties tussen organismen en hun
omgeving. Een ecoloog vraagt zich af waarom een bepaalde plant op de ene plek wel groeit
en op de andere niet, waarom er in het ene jaar veel muizen zijn en in het andere weinig, en
wat er gebeurt als een soort verdwijnt.
Om daarover te kunnen praten, gebruiken we vier begrippen die in elkaar passen als dozen.
Een individu is één organisme: één eend op de schoolvijver. Een populatie is een groep
individuen van dezelfde soort die op dezelfde plek en in dezelfde tijd leven en zich onderling
kunnen voortplanten: alle wilde eenden op en rond de schoolvijver. Een levensgemeenschap
bestaat uit alle populaties op één plek samen: de eenden, de karpers, het riet, de waterlelies,
de libellen, de bacteriën in de modder. Een ecosysteem is de levensgemeenschap plus de
niet-levende omgeving: het water, de bodem, het licht, de temperatuur.
Die niet-levende omgeving noemen we de abiotische factoren. Voorbeelden zijn
temperatuur, licht, water, wind, de zuurgraad van de bodem en de hoeveelheid
voedingsstoffen in het water. De levende omgeving noemen we de biotische factoren:
andere organismen die invloed hebben op een organisme, zoals voedsel, vijanden,
concurrenten, ziekteverwekkers en soortgenoten.
Een voorbeeld. Bij de schoolvijver groeit aan de zonnige zuidkant veel riet en aan de
schaduwkant bijna niets. Licht is hier de abiotische factor die het verschil maakt. In het riet
broeden meerkoeten; de rietstengels bieden beschutting tegen de reiger. Het riet is voor de
meerkoet een biotische factor, en de reiger ook.
Paragraaf 2. Voedselketens en voedselwebben
Elk organisme heeft energie nodig. Planten halen die energie uit zonlicht: met fotosynthese
maken ze van water en koolstofdioxide glucose en zuurstof. Omdat planten hun eigen
voedsel maken, noemen we ze producenten. Dieren kunnen dat niet; zij eten planten of
andere dieren en heten daarom consumenten. Een dier dat planten eet is een consument
van de eerste orde, een dier dat planteneters eet een consument van de tweede orde,
enzovoort. Schimmels en bacteriën die dode resten afbreken heten reducenten. Zij zorgen
dat voedingsstoffen terugkomen in de bodem en het water.
Een voedselketen laat zien wie wie eet, in een rij met pijlen. De pijl wijst in de richting waarin
de energie gaat. Bij de schoolvijver: waterplant → watervlo → stekelbaars → reiger. De
waterplant is de producent, de watervlo een consument van de eerste orde, de stekelbaars
van de tweede orde en de reiger van de derde orde. Elke stap in de keten noemen we een
schakel of trofisch niveau.
In het echt eet bijna niemand maar één ding. De reiger eet ook kikkers, de stekelbaars eet
ook muggenlarven, en de watervlo wordt ook door libellenlarven gegeten. Als je alle
voedselketens van een levensgemeenschap door elkaar tekent, krijg je een voedselweb. Een
voedselweb laat zien hoe soorten van elkaar afhankelijk zijn. Verdwijnen de watervlooien,
dan hebben stekelbaars én libellenlarve een probleem, en daarna de reiger.
Waarom zijn voedselketens zelden langer dan vier of vijf schakels? Omdat bij elke schakel het
grootste deel van de energie verloren gaat. Een dier gebruikt de meeste energie uit zijn
voedsel om te bewegen, warm te blijven en te ademen; maar een klein deel, ongeveer een
tiende, wordt lichaamsmassa die een volgende schakel kan eten. Na vier schakels is er zo
weinig energie over dat een vijfde schakel nauwelijks kan bestaan. Daarom zijn er veel meer
planten dan planteneters, en veel meer planteneters dan roofdieren. Dat tekenen we als een
piramide van biomassa.
Paragraaf 3. Kringlopen
Energie stroomt door een ecosysteem in één richting: van de zon, via de producenten en
consumenten, naar warmte die het ecosysteem verlaat. Stoffen doen dat niet. Stoffen gaan
rond in kringlopen. De bekendste is de koolstofkringloop.
Koolstof zit in de lucht als koolstofdioxide (CO₂). Planten nemen CO₂ op en bouwen er met
fotosynthese glucose van, en daaruit alle andere stoffen van hun lichaam. Dieren eten
planten en krijgen zo de koolstof binnen. Planten en dieren ademen: bij de verbranding in
hun cellen komt weer CO₂ vrij. Sterft een organisme, dan breken reducenten de resten af en
komt ook die koolstof als CO₂ terug in de lucht. De kringloop is rond.
De mens heeft aan deze kringloop een extra weg toegevoegd. Steenkool, aardolie en
aardgas zijn resten van organismen van miljoenen jaren geleden; de koolstof daarin zat lang
vast in de bodem. Door die brandstoffen te verbranden brengen we in korte tijd veel koolstof
in de lucht die er lang niet was. Daardoor stijgt de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer, en dat
versterkt het broeikaseffect.
Ook stikstof gaat rond in een kringloop. Planten hebben stikstof nodig voor eiwitten en halen
die als nitraat uit de bodem. Bacteriën in de bodem maken nitraat uit dode resten en uit
stikstofgas in de lucht. Mest en kunstmest brengen extra stikstof in de bodem. Voor een boer
is dat handig, maar spoelt het nitraat uit naar een sloot of een vijver, dan gaan daar algen
woekeren. Dat heet eutrofiëring, en het is een van de redenen dat de schoolvijver in de
zomer soms groen kleurt.
Paragraaf 4. Populaties en evenwicht
Hoeveel eenden passen er op de schoolvijver? Niet oneindig veel. Er is een grens aan het
voedsel, aan de broedplekken en aan de ruimte. Het maximale aantal individuen van een
soort dat een gebied blijvend kan onderhouden, noemen we de draagkracht van dat gebied
voor die soort. Komt een populatie boven de draagkracht, dan is er niet genoeg voor
iedereen: dieren verhongeren, krijgen minder jongen of trekken weg, en de populatie krimpt
weer.
Factoren die een populatie beperken zijn onder meer voedsel, water, ruimte, vijanden,
ziekten en het weer. Sommige factoren werken sterker naarmate de populatie groter is: bij
veel dieren op een kleine plek verspreidt een ziekte zich sneller en vinden roofdieren
makkelijker een prooi. Andere factoren, zoals een strenge winter, treffen een grote en een
kleine populatie even hard.
Populaties beïnvloeden elkaar. Concurrentie ontstaat als twee soorten hetzelfde nodig
hebben, bijvoorbeeld hetzelfde voedsel of dezelfde nestplek. Predatie is de relatie tussen
roofdier en prooi. Zijn er veel prooidieren, dan krijgen de roofdieren veel jongen; daardoor
daalt het aantal prooidieren, waarna ook het aantal roofdieren weer daalt. Zo schommelen
de twee populaties om elkaar heen. In het practicum van week 4 tel je watervlooien in twee
bakken, met en zonder stekelbaars, en zie je dit zelf.
Een ecosysteem waarin de populaties op de lange duur ongeveer gelijk blijven, noemen we
in evenwicht. Dat evenwicht is niet stil: het schommelt, en het kan verschuiven als een factor
blijvend verandert.
Paragraaf 5. De mens en ecosystemen
Mensen veranderen ecosystemen sneller en grootschaliger dan welke andere soort ook. We
kappen bos voor landbouw, leggen wegen aan door leefgebieden, brengen mest en
bestrijdingsmiddelen in bodem en water, en verplaatsen soorten naar plekken waar ze niet
thuishoren. Elk van die ingrepen verandert de abiotische factoren of de biotische factoren
van een gebied, en daarmee de levensgemeenschap.
Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten in een gebied. Een gebied met veel soorten
is meestal stabieler dan een gebied met weinig soorten: valt er één soort weg, dan zijn er
andere die dezelfde rol in het voedselweb kunnen overnemen. In een maisveld leven weinig
soorten; verdwijnt daar de mais door een ziekte, dan is er niets over. In het Voorbeeldbos
leven honderden soorten; verdwijnt daar de es door de essentaksterfte, dan blijft het bos
bestaan, al verandert het.
Het Voorbeeldbos is een goed voorbeeld van de keuzes waar mensen voor staan. De
gemeente wil een fietspad door het bos aanleggen, zodat leerlingen veiliger naar school
kunnen. Natuurliefhebbers zijn bang dat het pad het bos in tweeën deelt en dat reeën en
dassen de weg niet meer oversteken. De boeren naast het bos willen dat het bos kleiner
wordt, omdat de dassen hun mais eten. In week 5 voeren we hierover een debat. Je krijgt een
rol en verdedigt die met argumenten uit dit thema: draagkracht, voedselweb, biodiversiteit,
abiotische en biotische factoren.
Natuurbeheer is het bewust ingrijpen in een ecosysteem om het te behouden of te
herstellen: maaien op het juiste moment, water vasthouden, een wildtunnel onder een weg,
een soort terugbrengen die verdwenen was. Ook niets doen kan natuurbeheer zijn. Welke
keuze goed is, hangt af van wat je wilt bereiken, en daarover verschillen mensen van mening.
Ecologie geeft geen antwoord op de vraag wat je moet willen, maar wel op de vraag wat er
gebeurt als je iets doet.
Opdrachten
1. Geef van de schoolvijver één voorbeeld van een individu, een populatie, een
levensgemeenschap en een ecosysteem.
2. Noem drie abiotische en drie biotische factoren die invloed hebben op het riet aan de
schoolvijver.
3. Teken de voedselketen uit paragraaf 2 en zet bij elke schakel of het een producent of
een consument is, en van welke orde.
4. Teken een voedselweb van de schoolvijver met minstens zes soorten uit deze lesbrief.
5. Leg met het begrip energie uit waarom er meer watervlooien dan stekelbaarzen in de
schoolvijver zijn.
6. Beschrijf in vier stappen hoe een koolstofatoom van de lucht via een waterplant en een
eend weer in de lucht terechtkomt.
7. Leg uit waarom de schoolvijver in de zomer soms groen kleurt en wat dat te maken
heeft met de boerderij naast de school.
8. Wat is de draagkracht van een gebied? Noem twee factoren die de draagkracht van de
schoolvijver voor eenden bepalen.
9. Teken een grafiek van het aantal watervlooien en het aantal stekelbaarzen in de tijd, en
leg uit waarom de lijnen zo lopen.
10. Leg uit waarom een bos met veel soorten beter tegen een boomziekte kan dan een bos
met één soort.
11. Kies een partij uit het debat over het Voorbeeldbos en geef twee argumenten met
begrippen uit dit thema.
12. Bedenk een maatregel van natuurbeheer voor de schoolvijver en leg uit welk effect je
verwacht op het voedselweb.
Begrippenlijst
Begrip
Betekenis
Abiotische factor
Invloed uit de niet-levende omgeving, zoals licht, temperatuur, water
Biotische factor
Invloed van andere organismen, zoals voedsel, vijanden, concurrenten
Biodiversiteit
De verscheidenheid aan soorten in een gebied
Consument
Organisme dat andere organismen eet
Draagkracht
Het maximale aantal individuen van een soort dat een gebied blijvend
kan onderhouden
Ecosysteem
Levensgemeenschap plus de niet-levende omgeving
Eutrofiëring
Overmaat aan voedingsstoffen in water, waardoor algen woekeren
Fotosynthese
Proces waarbij planten met licht uit water en CO₂ glucose en zuurstof
maken
Begrip
Betekenis
Levensgemeenschap
Alle populaties op één plek samen
Populatie
Groep individuen van dezelfde soort op dezelfde plek en tijd
Predatie
Relatie tussen roofdier en prooi
Producent
Organisme dat zijn eigen voedsel maakt, meestal een plant
Reducent
Organisme dat dode resten afbreekt, zoals schimmels en bacteriën
Voedselketen
Rij organismen die elkaar eten, met pijlen in de richting van de energie
Voedselweb
Alle voedselketens van een levensgemeenschap door elkaar